Wellicht herkent u het wel wanneer u in een nieuwe stad bent. Door het rondlopen en zo nu en dan verdwalen gaat u patronen in de stad herkennen. Eenzelfde ervaring bemerkte ik sinds ik bezig ben de complexiteit rondom de statushouders (immigranten met verblijfsvergunning) te ontrafelen. Ik ontdek steeds nieuwe wegen, patronen, ondergrondse paden, zijwegen en doodlopende routes. Binnen de kaart kan ik inzoomen en uitzoomen en krijg zo huizen, wijken en steden in beeld. Ondanks dat de ‘kaart’ zich nog niet geheel gevormd heeft, en wellicht nooit ten volle gekend kan worden, neem ik u mee in de zoektocht.  

De weg zoeken
De start van dit project begint in de huizen van mensen, het microniveau. Zowel letterlijk, wat zich achter de muren van de huizen afspeelt, als figuurlijk, wat er in hen omgaat. In één van de ‘huizen’ bevindt zich een vrouw die in Syrië ingenieur was. In Nederland wilde ze een stage doen die in lijn lag met haar vorige werk. Ze werd door het vrijwilligersbureau alleen telkens op schoonmaakbaantjes gezet. Ze zei steeds benaderd te worden ‘alsof ze dom was’. Ze kon de positie die ze in Syrië had niet rijmen met haar nieuwe positie in Nederland. Met het verlies van haar oude identiteit ging daarmee ook een stuk zelfrespect verloren. Hannah Arendt, Joodse filosofe die tijdens de oorlog naar Amerika is gevlucht, beschrijft de verwarring die ontstaat nadat je gevlucht bent heel pakkend. Vrij vertaald zegt ze in ‘Wir flüchtlinge’ dat ze: met verlies van haar huis het gewone dagelijkse leven is kwijtgeraakt, met verlies van werk het vertrouwen is kwijtgeraakt van nut te zijn voor de wereld en met het verlies van taal de mogelijkheden om emoties te uiten zoals je zelf wilt. Uit zowel het citaat als uit de ervaring van de Syrische vrouw blijkt dat ‘werk hebben’ niet alleen gaat om geld verdienen of ‘mee doen’. Het gaat over nuttig willen zijn en over de vraag wie je nu bent en wil zijn en deze nieuwe situatie.

Na verlies van het oude bekende zijn statushouders genoodzaakt om zichzelf opnieuw uit te vinden, je identiteit vinden in de nieuwe maatschappij. Mensen, in het algemeen, doen dit vaak door zich te positioneren ten opzichte van anderen. We associëren onszelf met bepaalde groepen of typen mensen. Dit komt vaak op subtiele wijze terug in hoe we over anderen spreken of hoe we andere groepen labels geven. We beschrijven bijvoorbeeld gedrag van een groep collega’s (zij) en maken duidelijk dat wij (eigen team) ‘niet zo vaak bij het koffieapparaat staan te leuteren’. Meer binnen dit thema was het tekenend hoe een vrouw zichzelf definieerde. Ze zei als tussenzin: ‘ik ben buitenlander, maar mijn kinderen zijn Nederlands’. Een scheiding binnen het gezin waarbij ouders en kinderen tot een andere groep worden gerekend. Opvallend was dat deze mevrouw in Nederland als ‘model immigrant’ zou kunnen worden gezien. Ze sprak zeer goed Nederlands, had werk en stond met koninginnedag vooraan om de koning te bekijken. Ze was blij dat ze in Nederland woonde maar blijkbaar was ze altijd een buitenstaander gebleven. Hieruit blijkt dat een bepaald woord of een bepaald label, in dit geval buitenlanders, door verschillende groepen heel anders gebruikt wordt en van betekenis kan verschillen. Een ander voorbeeld hiervan is het woord ‘vluchtelingen’. Hannah Arendt zei dat immigranten niet ‘vluchtelingen’ genoemd wilden worden. De mensen in de groep zelf noemen zich liever nieuwkomers.

De weg vragen
De reden dat ze zichzelf als groep niet als vluchteling willen benoemen is omdat het de afhankelijkheid van anderen benadrukt: je bent iemand die geholpen moet worden.  Zo zegt Hannah: ‘als we gered worden voelen we ons vernederd’. Hulp, in welke vorm dan ook, kan alleen bestaan binnen een machtsrelatie. Zo is de impliciete boodschap: ‘jij redt het niet zelf, nu ga ik je helpen net zo te worden zoals wij’. Hulp is dus niet kosteloos. Ongepaste hulp wordt dan ook vaak als vernederend ervaren. Bijvoorbeeld wanneer Nederlanders hard en overdreven articulerend gaan praten wanneer zij met iemand spreken met een migratieachtergrond. De hulp, ‘verstaanbaar praten’, is heel vervelend voor iemand die de taal goed spreekt. Ik merkte dan ook grote irritatie bij immigranten wanneer gevraagd werd ‘of ze wel Nederlands spreken’. Die zin, en het overdreven duidelijk praten wordt als signaal gezien dat ze er nog niet ‘bij horen’ en daarom ‘geholpen moeten worden’. Dit is overigens zeker geen pleidooi om mensen in nood niet te helpen. Maar wil men op een goede manier mensen helpen dan is bewustwording van de schaduwkant van hulp noodzakelijk.  

Schuiven in de huizen
‘In de huizen’ speelt nog meer. Onder andere verschuiven vaak de rollen die familieleden innemen. Toen ik op bezoek was bij de ISK school hoorde ik hoe de verhouding tussen kinderen en ouders verandert. Zo bemerkten ze onwennigheid bij een Syrisch gezin. In het thuisland is het vanzelfsprekend dat ouders gezaghebbend zijn. In Nederland leren hun kinderen, door o.a. meer intensief taalonderwijs, zich sneller te redden in het nieuwe land. De ouders werden onzeker omdat zij niet hun kind konden begeleiden en helpen met hun schoolwerk zoals zij wilden, zij raakten steeds meer hun gezaghebbende positie kwijt. De oudste jongen in het gezin ging echter steeds meer de ouderrol op zich nemen. Zo miste hij regelmatig lesuren omdat hij met een broertje of zusje naar de dokter ging of omdat hij met zijn ouders mee moest naar afspraken om te vertalen.

Tijdens een onderzoek naar de kwaliteit van gemeentelijke re-integratie merkte ik hoe ver ‘de huizen’ van de ‘bewoonde wereld’ af kunnen staan. We vroegen een Eritrese man naar zijn ervaring met de gemeente. De man sprak gebrekkig Nederlands en begreep onze vraag niet. Het enige wat hij bleef herhalen was dat zijn vrouw weg was en dat hij niet wist waar zij was. De ervaring van afgesneden zijn van de belangrijkste mensen in zijn leven was veel pregnanter aanwezig dan de vraag of de gemeente hem goed begeleidde naar (vrijwilligers-)werk. Uit dit voorbeeld blijkt tevens dat het wel of niet werken van beleid afhankelijk is van de context waarin het zich afspeelt. Een ‘one-size-fits-all’ aanpak lijkt hier dus niet op zijn plaats.

De andere kant van het raam
Net zoals ik voorzichtig van buiten naar binnen mocht kijken, kijken statushouders vanuit de andere kant uit het raam. Een veelheid aan wereldbeelden komen voorbij. Ondanks dat ieder zijn eigen verhaal heeft, zijn er binnen groepen gemene delers zoals religie en cultuur. Zo gaan Eritreeërs doorgaans anders om met trauma en tegenslag dan bijvoorbeeld Nederlanders. In Nederland leven velen vanuit het idee dat je zelf je leven, voor een deel of helemaal, kunt bepalen. Een slogan op een uitzendbureau die ik laatst zag vatte het kort samen: ‘succes is een keuze’. Eritreeërs leven meer met het idee dat je als mens weinig invloed hebt. Sommigen geloven dat bijvoorbeeld God je leven stuurt en of de groep waar men onderdeel van uit maakt. Gevolg hiervan is dat bij tegenslag een Nederlander schuld voelt, als je het leven immers zelf in de hand hebt is tegenslag product van eigen misstappen. Eritreeërs leven minder met deze schuld omdat het ‘hen overkomt’. Alleen uit dit voorbeeld kan men al snel herleiden dat wereldbeelden kunnen botsen. Zo kan de manier waarop Eritreeërs omgaan met tegenslag door Nederlanders als passief worden gezien. Het gedrag staat ook haaks op veel overheidsbeleid dat zelfredzaamheid ten doel heeft.

In dit stuk hebben we een glimp opgevangen van ‘de kaart’, we hebben in en vanuit ‘de huizen’ van statushouders gekeken. De kaart reikt nog veel verder. Voor een goed begrip van de situatie moeten niet alleen statushouders hun verhaal doen, maar ook Nederlanders en groepen die met statushouders werken of juist tegenwerken. Het ‘stadsniveau’ komt aan bod door het maatschappelijk discours te bestuderen (hoe spreekt men over statushouders en hoe spreken zij zelf?). Dit stuk zal dan ook opgevolgd worden.

Geef een reactie